Essex

EssexAdriaan Volker bestelde als eerste Hollandse aannemer in 1864 drie stoomgedreven emmerbaggermolens in het Belgische Luik voor een totaalbedrag van fl. 68.000,-. Later volgden andere aannemers dit voorbeeld.

Stoombaggermolen Essex is in 1923 voor de Sliedrechtse firma K.L. Kalis Wzn. & Co. gebouwd bij scheepswerf L. Smit & Zoon te Kinderdijk. Het vaartuig meet een lengte van 47 meter, een breedte van 8 meter en steekt een diepte van 3,3 meter. De baggerdiepte is 21 meter en de emmerinhoud 600 liter.

De Essex heeft onder andere grote hoeveelheden keileem opgebaggerd voor de in 1939 nieuw aangelegde dijk rondom de Noordoostpolder.

In 1948 werd de Essex verkocht aan Volker Aannemingsmaatschappij uit Den Haag. Deze liet het schip naar Nederlands Indië verslepen, waar het werkte in de haven van Soerabaja en Medan.

In 1993 werd het model door de heer ir. H.A. Verkerk uit Sliedrecht geschonken aan het National Baggermuseum.

Tredmolen

TredmolenHoewel de scheepsbouwer en cartograaf Joost Janszoon Bilhamer wordt geassocieerd met de eerste moddermolen in 1575, dateert het octrooi voor de moddermolen van 1589. Dit octrooi werd verleend aan de Delftse stadstimmerman Cornelis Dirkszoon Muys. De moddermolen, een tredwiel aangedreven schraapbaggermolen, was een hele verbetering ten opzichte van het werken met een baggerbeugel.
Vier mensen waren nodig om de emmerladder in werking te zetten. De emmerladder met emmerscheppen schraapte de modder van de bodem en stortte dit in een goot aan de voorzijde. Vervolgens werd de baggerspecie opgevangen in een vlet, die dwars voorlangs aangemeerd lag.
Tredmolens werden veel gebruikt in de Amsterdamse havens tijdens het VOC tijdperk.
Voor de grote zeilschepen was het van belang dat de waterwegen niet dichtslibden.
De tredmolen werd begin 17e eeuw doorontwikkeld naar de rosmolen, een door paarden aangedreven moddermolen. Op veel 17e en 18e eeuwse havengezichten zijn moddermolens te zien.
Onderstaand model van een tredmolen is onderdeel van de collectie van het Nationaal Baggermuseum. Het model is vervaardigd door J. de Bruin in 1975 en in 1987 door de maker aan het museum geschonken.

Zandaak

Schouw, aak, vletaak zijn verschillende namen voor verschillende type platbodems waarmee opgebaggerde baggerspecie werd vervoerd of het riet uit de Biesbosch naar het vaste land werd gebracht.

Ook voor zandwinning werden deze schepen gebruikt. Men gebruikte daarvoor baggerbeugels met een linnen zak. Wanneer de beun vol was met zand, werd het naar het stort of aan land gebracht.
Dat laatste gebeurde met kruiwagen en schep over de loopplank. Veel zandaken hadden een breed en gedeeltelijk uitneembaar bord om makkelijk uit te laden.
De steenfabrieken waren goede afnemers van zand, bijvoorbeeld langs de Hollandse IJssel en de Lek.
Rond 1900 had de gemeente Vreeswijk aan de Lek waarschijnlijk de grootste vloot zandaken van Nederland.

Aanvankelijk waren dit kleine houten schepen met een lengte van 8 tot 12 meter en een breedte van 2,5 tot 3,5 meter.

Het scheepsmodel van de zandaak in het Nationaal Baggermuseum heeft een romp daterend uit 1910, vervaardigd door de heer Van Rees uit Sliedrecht. Na schenking door de familie Van Rees, is het model geheel gerestaureerd door de heer J. Bons.
Het model meet een lengte van 178 cm en een breedte van 56 cm. De schaal is vermoedelijk 1:50.

Baggerbeugel

BaggerbeugelZodra het tijdperk van trekkende jagers en verzamelaars voorbij is en mensen overgaan op landbouw op een vaste plaats, speelt waterbeheersing een rol. In diverse beschavingen vinden mensen in deltagebieden gereedschappen uit om de vruchtbare landbouwgrond te irrigeren en om te gaan met rivieren die buiten hun oevers treden.
In de oudheid gebruikten Egyptenaren de zogenaamde shaduf in de Nijldelta. Met behulp van een hefboom werd een zak met water uit de rivier gehesen om het vervolgens via een loop van tussen modderdijkjes gevormde irrigatiestroompjes over het land uit te laten stromen.
De shaduf kan als het ware gezien worden als de voorloper van de baggerbeugel, een van de oudste baggergereedschappen in Nederland.

De baggerbeugel kreeg zijn uiteindelijke vorm omstreeks 1630, toen in de Lage Landen de jacht op turf in volle gang was. De baggerbeugel bestaat uit een lange steel, waaraan een stalen ring met net is bevestigd. Aan de voorkant van de stalen ring zit een zogenaamde schraapplaat die afhankelijk van de grondsoort een puntige afwerking heeft. De grondsoort is ook bepalend voor de maaswijdte van het net. In het midden van het net zit een knopentouwtje dat deze maaswijdte aangeeft. De steellengte varieerde van 3 tot 5 meter afhankelijk van op welke diepte er gebaggerd moest worden, maar fungeerde ook als tegenwicht voor de zware volle beugel bij het baggeren.
Een goed beugellaar beugelde 2m3 bagger in een uur in zijn vlet of op de kant.

Het principe van scheppen is vele honderden jaren de belangrijkste methode geweest voor het baggeren.

Glas-in-lood

glas-in-loodDit drieluik is vervaardigd door glazenier Toon Berg (1877-1967) ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van de Maatschappij tot Uitvoeren van Openbare Werken Adriaan Volker in 1954 en aangeboden door de aandeelhouders aan de directie. Het drieluik werd geplaatst in het kantoor van de firma aan de Parklaan 42 in Rotterdam.
Bij de verhuizing in 1974 van de inmiddels Koninklijke Adriaan Volker Groep naar het nieuwe kantoor, het Adriaan Volkerhuis, van architect Maaskant, werden de glas-in-loodramen meegenomen en in depot gesteld. In 2003 vertrok de Koninklijke Volker Wessels Stevin uit het Adriaan Volkerhuis en schonk het drieluik aan het Nationaal Baggermuseum.

Glazenier Anthonius Cornelis (Toon) Berg, geboren in Delft, had van 1919 tot 1957 zijn eigen glasatelier in Dordrecht. Kenmerkend voor zijn ramen zijn de geabstraheerde en gestileerde motieven en helder kleurgebruik.
Zijn ramen worden wel socialistisch getint genoemd, omdat hij het thema Arbeid op nadrukkelijk wijze naar voren laat komen.
Dit is ook zichtbaar in de gebrandschilderde ramen in het oude Raadhuis van Sliedrecht, waarin de geschiedenis van de Baggerindustrie duidelijk zichtbaar is.

Het drieluik heeft een prominente plek gekregen in de koffiezaal van het Nationaal Baggermuseum.